Oktoberverhalen

november 30th, 2016
by Fantastoer

Oktoberverhalen

1 oktober
De aardige man van op de hoek, de oude boer van 86,
had zijn laatste kopje koffie, zittend in de tuinstoel
van tante Agatha, achteloos weg gekieperd over de tegels
die door de loodgieter schots en scheef waren teruggeplaatst, nadat hij
de put had dichtgegooid, die hij gegraven had om de
verstopping van de afvoer op te lossen.
Veel had het niet gescheeld, of het was over de schoenen
van Roest terecht gekomen.

2 oktober
De was hing slap over de lijn die losjes doorboog
onder het gewicht van de lekkende wollen truien
en katoenen broeken, een plasje vormend op de
betonnen vloer. Buiten kletterde de regen; een druppel
was een heel meer. Roest snoot zijn neus. Het klamme
zweet voelde koud onder zijn vochtige kleren. Hij moest
plassen, maar hield het nog even op tot na de koffie.
Er liep bloed uit zijn neus.

3 oktober
Droge mond, tong als een zeemlederen lap. Gekloofd
door droogte opengebarsten lippen. De stofwolk was
nog lang blijven hangen in de vochtige lucht van de stal.
Met het laatste slokje water, overgebleven in de beker,
na het tanden poetsen van de vorige avond, probeerde
Roest tegen beter weten in, zijn dorst te lessen. De frisse
mint smaak trok de deur in zijn keel dicht.
Langs de waterbak liep Roest de deur uit. De geur van
oud geworden was; te lang was het water blijven staan,
het afvoerputje te hoog om het water weg te doen stromen.
Traag druppelend lekkend tot een plas.
Laarzen in de drassige grond, soppend stappend tot aan de
slootrand. In formatie openden de muggen de aanval.

4 oktober
De melk was op, de witlof op, paprika op, ananas op, de boter
op, komkommer was op, tomaten op.
Alleen nog crackers, pindakaas, cornflakes, Brinta,
muesli, roggebrood, rijst en couscous.
Roest verslikte zich in een kauwgompje (eigenlijk in zijn
eigen speeksel; gestimuleerd zijn speekselklieren) – de spinazie
was trouwens ook op

5 oktober
Zeezout, Yoghurt en Roest op de trekker, de snelweg mijdend,
met wilde armbewegingen zwaaiend in het ochtend- en
avondlicht (zowel in het ochtend- als in het avondlicht)
Yoghurt aan het stuur met de controle, Zeezout hangend op zijn
rug (half hangend). Zij is degene met de uitbundige zwaai,
het wapperen van de blonde haren als op een paard in gestrekte galop -
juu juu – volle bak vooruit. Ginds ziet Roest de duintoppen al.
Gak gak – de ganzen zijn al vroeg dit jaar.

6 oktober
Het wuivende riet, de wilgenlaan vol knoestige bomen.
De ganzen in formatie; geluksgevoel.
Jij stramme boer, met je scherpe zeis, je kettingzaag en je ‘pangpang’.
Heb je dan geen respect.
Aan alles komt al gauw een einde.
De boer is stroef.

7 oktober
Roest at van de kaas. Eerst rook hij aan de kaas.
Hij hield van de kaas.
De oude brokkelkaas met harde stukjes.
Machtige oude kaas.
Eerst een klein stukje, maar al gauw was de kaas helemaal op.
Ook de korst.
Hij kon niet anders.
Weerloos als een kind, weerloos als alles van waarde.
Al wat restte was een gapend gat.

8 oktober
Roest realiseert zich dat hij eigenlijk best een
dom mannetje is, maar evengoed kan hem dat niks schelen.
Best jammer, want als hij iets heter zijn best zou doen,
hij iets verder zou kijken, dan zou hij de kern raken.
En zijn domheid –
Maar wat geeft het.

9 oktober
Roest kijkt naar een oude zwart-wit western.
Ze rijden in een groepje op hun paarden in de woestijn
en ze schieten op hun vijanden, die hen achtervolgen.
De vijand schiet terug. Niemand wordt geraakt, dus alles
is voor niets. Uiteindelijk valt er dan toch een paard om,
met een ruiter op zijn rug. Maar het paard staat weer rustig
op. De ruiter blijft liggen, maar krabbelt dan toch overeind.
Ze schieten weer op hem en hij roept de naam van zijn
vriend die omkeert, maar de ruiter is inmiddels dood gegaan,
dus dat hoeft niet meer. Het is een beetje verwarrend, want hij
blijkt toch nog te leven en zijn vriend gaat hem toch proberen
te redden. De achtervolgers en de vriend schieten op elkaar,
terwijl hij de gewonde optilt en naar de rotsen draagt,
de kogels ontwijkend. De gewonde en zijn vriend evalueren de
situatie waarin ze zich bevinden en ze zijn het erover eens dat er
iets niet goed aan is. Het schieten duurt voort, maar met een kreun
en een zucht gaat de ruiter dan toch dood, dus alles is nu echt voor
niets geweest en de vriend had beter door kunnen rijden.
Die probeert nu vrede te maken met de achtervolgers, zodat ze
hem niet doodschieten. De achtervolgers blijken bij het gezag te
horen, dus de anderen zijn de schurken, maar de vriend is een goede
schurk en de dooie is zijn broer.
De sheriff condoleert hem met zijn verlies en de
goede schurk bedankt de sheriff voor zijn medeleven.

Moraal: Alles heeft zijn tijd

10 oktober
Achter het kasteel vond de blinde een put met een trap naar beneden,
waar een lange gang hem leidde naar een kleine gemeubileerde kamer,
waar 7 vrouwen hem trakteerden op 7 verschillende spijzen en dranken,
waarvan de één nog zoeter dan de andere. Maar de blinde had geen behoefte
aan al dat lekkers. Hij was beleefd tegen de vrouwen, nam een hapje van de
spijzen en een slokje van de dranken. Hij at als hij honger had, dronk als hij
dorst had, sliep op de bank als hij slaap had.
Dat ging zo maanden door, tot de vrouwen er schoon genoeg van hadden
dat hij zich zo netjes en respectvol gedroeg. Ze begonnen hem te schoppen
en te bijten, ze trokken hem aan zijn haren, sloegen hem helemaal in elkaar
en zetten hem buiten via een klein geheim achterdeurtje.

Nu stond de blinde buiten. Hij zwierf door bossen en door weiden.
Waar hij naartoe ging, vroeg hij zich niet af, waar hij vandaan kwam,
maakte hem niet uit. Hij at van de vruchten die de bomen hem gaven
en dronk van het water uit de beekjes. Hij sliep daar waar hij moe werd.

Op zijn zwerftocht kwam hij regelmatig reizigers tegen en ook koopmannen
uit de buurt en soldaten uit het kasteel. Hij vertelde dan zijn wedervaren en de
mensen vonden het een eigenaardig verhaal.
Vaak werden ze boos op hem, uit jaloezie en afgunst. Woedend konden ze worden,
want hoe kon iemand onaangeroerd blijven onder zulke omstandigheden met 7 mooie vrouwen en al dat verleidelijke lekkers dat hem werd aangeboden.
Hij werd dan ook regelmatig afgerost en afgetuigd of gewoon met de platte hand ‘pats’ in het gezicht geslagen. Dat deden vooral de vrouwen, want ook zij voelden zich beledigd door zijn
verhaal. Soms pakten ze hem zijn stok af, waarmee hij zijn weg zocht en braken die in stukken. Waarom hield hij dan ook niet gewoon zijn mond over zijn avontuur, in plaats van zo te snoeven over hoe deugdelijk hij wel was.
Natuurlijk wilden velen ook weten waar die plek dan wel was, die zogenaamde put met die trap, want niemand had die ooit gezien. Ze vonden hem een praatjesmaker en een opschepper.

Op zekere dag stak hij een rivier over, waadde door het water naar de andere oever.
Daar kenden de mensen hem niet en dus ook zijn verhaal niet. Hij wandelde verder tot
hij met een flinke smak ergens tegenop botste. Sterretjes voor zijn ogen en een piep
in zijn oor. Het duizelde hem en hij was zijn oriëntatie volkomen kwijt.
Na het wegtrekken van de sterrenregen en het verstommen van de piep in zijn oor, kwam hij weer bij zinnen en tastte om zich heen om te onderzoeken wat het was geweest, waar hij zo ongenadig hard tegenaan was gebotst. Dat moest haast wel een granieten paal zijn geweest. Hij vond een voet en tastte zo naar boven, waar hij even inhield, als door een wesp gestoken een stukje oversloeg, maar daar toch stiekem weer naar terugkeerde en tenslotte langs de hals, het hoofd de lange haren en de spitse neus bevoelend. Het was zonder twijfel een vrouw, die net als hij tegen de vlakte was gegaan, En ook zij kwam kreunend en steunend tot haar positieven, om zich heen zoekend naar houvast en herkenning. Zo vonden ze elkaars handen en hoorden ze elkaars stem. Zo stonden ze samen op, hand in hand en lieten elkaar niet meer los. Ze dansten in het maanlicht, ook al konden ze dat niet zien, want ze waren beiden blind.
Ze dansten tot het ochtend werd en de zon hun gelaat verwarmde.
Toen liepen ze samen waar hun voeten hen naartoe leidden en al gauw waadden ze door het frisse lentewater van de rivier die door de blindeman al eerder was overgestoken in tegengestelde richting. Maar voor haar was dit de eerste keer.

Aan de oever gekomen zetten ze zich in het gras om zich door de zon te laten drogen en aldaar vertelden ze elkaar hun avonturen. Haar verhaal vrijwel gelijk aan het zijne, maar dan de vrouwelijke versie met veel meer bloemige details en ze had veel meer woorden nodig. Af en toe was ze de draad van haar verhaal kwijt en vroeg ze hem waar ze ook alweer gebleven was. Met toenemende ergernis in zijn stem gaf hij dan een korte samenvatting van haar laatste zinnen. Ook zij kon haar irritatie nauwelijks verbergen en af en toe verstoorde ze zijn verhaal door er gewoon doorheen te gaan zingen.
Ze herkenden elkaars verhaal alsof het hun eigen was en ze werden nijdig op elkaar en beschuldigden elkaar van plagiaat. Zij had vast zijn verhaal door iemand horen vertellen aan wie hij het had verteld en andersom. Ze sloeg hem met platte hand in het gezicht en hij schopte haar met de punt van zijn schoen tegen de, in zijden kousjes met opgestikte roosjes gehesen, poezelige enkels.
Toen ze hiermee klaar waren, hun kelen schor van het ruzie maken, kwamen ze op het idee dat ze het dan maar aan elkaar moesten bewijzen dat ze niet elkaars verhaal hadden gepikt.
De enige manier om dit voor elkaar te krijgen was, om de put te vinden met de trap, aan beide zijden van de rivier.

En als ze nu de putten niet hebben gevonden, dan zijn ze nu nog altijd op zoek.’

Roest sloeg het boek dicht.
‘Wat een stom verhaal’, vond hij.
Hij wond zich erover op dat ze zo koppig hun gelijk wilden halen, terwijl ze gewoon gelukkig hadden kunnen zijn met elkaar, nu het lot hen zo tot elkaar had gebracht.
‘Zo koppig als een stel ezels’, vond Roest, terwijl hij het schemerlampje naast zijn bed uitknipte en zich op zijn rechter zij draaide.

Jammer, Roest, misschien lag hun geluk er juist in dat ze samen op zoek gingen naar de putten. Ik ben benieuwd wat je droomt.

11 oktober
Roest had een droom. Hij zat op een podium voor een zaal vol met mensen.
Hij zat op de grond, met in zijn hand een stekkertje van een lampje.
“Een stekkertje”, zei Roest.
Een donkere stem uit het niets sprak tot hem:
“Hij heeft een stekkertje gevonden, waar zou die nou in moeten”
“Ik denk hier in de stekkerdoos”, zei Roest.
“Stop het stekkertje maar in het stekkerdoosje”, sprak de stem, “dan gaat
het lampje vanzelf branden”.
“Maar het snoertje van het stekkertje is te kort”, zei Roest.
“O jee, het snoertje van het stekkertje is te kort om in het stekkerdoosje te geraken. Nou dan moeten we maar verhuizen, zeker, naar een huis met een langer stekkerdoosje, hoe moet je anders je lampje laten schijnen”.
(lachen van het publiek)
“Of misschien moet er een ander lampje komen”, zei Roest “met een langer stekkertje”.
“Hij bedoelt waarschijnlijk een langer snoertje, dames en heren, maar hij kan het niet goed zeggen. Nou jongen, ga jij maar even lekker een ander lampje halen, wij wachten hier wel.
(lachen van het publiek)
“Ja, maar zonder lampje zie ik niet zoveel”, zei Roest.
“Hij ziet niet zoveel zonder lampje”, zei de stem. “Alsof hij met een lampje wel wat ziet, dames en heren. Volgens mij ziet hij nog niks door een telescoop met een afstand tot Mars, mensen”
(lachen van het publiek)
“Maar wacht”, zei Roest, “ik heb nog wel een ander stekkerdoosje in mijn doos”.
“Hij heeft een duo-doos in z’n doos zitten, zeg. Het lijkt wel pakjesavond. We zijn allemaal reuze benieuwd naar die turbodoos van je. Haal maar tevoorschijn.
Roest rommelde in een doos waar hij het ene voorwerp na het andere uithaalde, gevolgd door commentaar van de stem en gelach van het publiek. Dan had hij eindelijk de stekkerdoos te pakken. Roest paste de stekker in de stekkerdoos
“Hij is lang genoeg”, zei Roest, “maar het is een verkeerd stekkertje. Het is niet het goeie stekkertje, het past er niet in”.
“We gaan hier wel even kamperen”, sprak de stem. ‘We hebben koffie en broodjes meegenomen, allemaal in een grote doos”.
(lachen van het publiek)
Roest ging op de grond zitten, met zijn ellenboog op zijn knie en zijn vuist onder zijn kin.
“Ik moet even nadenken”, zei Roest.
“Nou moet hij even nadenken, dames en heren. Maar maak het niet te laat, want de mensen willen vandaag nog naar huis, en dan hebben ze straks niks om thuis te vertellen, grote denker. We hebben niet de hele week de tijd”.
“Problemen problemen problemen”, stamelde Roest.
“Het probleem met het stekkertje, dames en heren, dat zorgt voor meer problemen als ik het goed begrijp”.
Na enige tijd in stilte nagedacht te hebben, bedacht Roest:
“Zal ik een technische oplossing bedenken, een filosofische, of een fantasieoplossing”
“Alsof je aan één probleem niet genoeg hebt, mensen”, sprak de stem “Er komt een luxeprobleem bij. Het probleem van de luxe van de verscheidenheid aan oplossingen. Dat willen we allemaal wel. Maar we zijn erg nieuwsgierig hoe je dat stekkertje nou in dat doosje gaat krijgen”.

Roest schrok hoestend wakker. Door de gordijnen kierde het ochtendlicht.

Posted in Geen categorie | Comments (0)

Feestjes

november 5th, 2011
by Fantastoer

Feestjes

Ik heb soms iets in mijn oor zitten
en als ik mijn hoofd dan scheef houd
en op mijn bovenste oor tik
valt er iets uit mijn onderste oor

Ik doe het soms op feestjes
mensen proberen dat dan na te doen.
Het is dan altijd een dolle boel.

Posted in Geen categorie | Comments (0)

Ik de Wereld

november 5th, 2011
by Fantastoer

De wereld is zo klein
als jezelf
maar groter
dan jezelf

En dat is vreemd
want er is geen
antwoord buiten jezelf

Mijn wereld is klein
maar toch groter
en soms zelfs op de kop

Dan staat mijn wereld op z’n kop

Op mijn kop
Op zijn kop
Op ieders kop

Posted in Geen categorie | Comments (0)

Mensheid

november 5th, 2011
by Fantastoer

Mensheid

Ik plak soms voor de grap een plak kauwgom onder mijn schoen
Het voelt dan net alsof ik meer contact heb met de aarde
Eigenlijk zou iedereen dat zo nu en dan eens moeten doen
Niet altijd natuurlijk
Maar soms

Dat zou best goed zijn voor de mensheid

Posted in Geen categorie | Comments (0)

Schoenen

november 5th, 2011
by Fantastoer

Ik vraag wel eens wat aan iemand
maar ik krijg altijd verkeerde antwoorden
Ik zeg dan altijd dat ik de vraag niet begreep
Mensen zijn dan weer tevreden

Vriendelijke mensen zijn er
Ik kom ze in ieder geval elke dag tegen
Ze hebben altijd mooie schoenen aan
en ik vraag mij altijd af of ze niet te klein of te groot zijn

Ik heb dat eens gevraagd
maar ik begreep de vraag niet

Posted in Geen categorie | Comments (0)

Fietsen

november 5th, 2011
by Fantastoer

Ik vind het mooi om te fietsen
Ik haal altijd iedereen in
Soms ga ik op mijn bagagedrager zitten en klingel met mijn bel
Dan fiets ik iedereen voorbij

Dan kijk ik de mensen lachend aan
Soms zwaai ik ook of ik steek een duim op
Meestal haal ik mensen met brillen in
Die zitten heel vaak op een fiets met drie versnellingen
Het zijn vaak oude mensen met grijs haar en een bruine broek

Soms gebeurt het dat ik voor een stoplicht moet wachten juist als ik iemand
zwaaiend en bellend ingehaald heb
Het heeft dan helemaal geen zin gehad
Ik had het dan net zo goed niet kunnen doen
Ik vind het dan moeilijk of ik dan mijn excuses aan moet bieden of weer mijn
duim op moet steken
en of ik als het licht op groen springt
heel hard weg moet fietsen
of netjes achter ze moet blijven

Posted in Geen categorie | Comments (0)

Zo te zien valt het nog mee met die vloer

november 5th, 2011
by Fantastoer

Zo te zien valt het nog mee met die vloer

Lekker lag ik op de bank voor mij uit te kletsen. Dat doe ik graag. Ik laat mij graag verrassen door mijn eigen wijsheid en grappen. Dat doe ik in de regel in sessies van zo’n anderhalf uur. Maar ik betaal er niet voor en ik reken er ook geen geld voor. Het is gratis.

Toen de sessie voorbij was had ik weer voldoende energie om die dingen te gaan doen die ik wilde gaan doen, dat wil zeggen: ik had zin om te schilderen, de verf en de penselen tevoorschijn te halen en de schildersezel spreekwoordelijk aan te vallen. Om dat plan ten uitvoer te brengen leek het mij het beste om eerst aan enkele verplichtingen te voldoen, zoals het invullen en versturen van enkele acceptgirokaarten ten goede van de belastingen. Nog enkele termijnen en de betalingen waren weer voldaan. Daarnaast nog in te vullen de meterstandkaart van het water van het waterbedrijf Vitens. De waterstand kon per internet doorgegeven worden, dus wat kost dat nu helemaal aan tijd.

De watermeter zit in een gat onder een houten plank onder de vloer van mijn huiskamer. Die vloer heeft een mooie maïsgele kleur. Ik ben trots op die vloer. Die vloer geeft mij energie. De laatste keer dat ik de vloer van een nieuwe laklaag voorzag, is inmiddels een goed jaar geleden. Afgelopen zomervakantie zag ik er maar vanaf. Ik had namelijk een kutvakantie en weinig centen over.

Met de steel van een lepel lukt het mij doorgaans wel om de plank van de vloer los te krijgen en uit het gat te tillen. In de keuken had ik snel een lepel uit het afdruiprek getild. De lepel leek niet te voldoen aan de eisen en ik boog het ding bij de tilactiviteit krom. Dan maar de zwaardere middelen. Een schroevendraaier leek een betere optie. Uit de schuur haalde ik er maar gelijk twee. Met een soort van bandenlichterstechniek lukt dat meestal wel. Het luik zat goed vast. Ik hoorde het hout kraken onder het geweld van de schroevendraaier. Een korstje verf kwam los. Daar baalde ik goed van, zeg. Maar gelukkig leek het nog mee te vallen. Het zat vooral onder de metalen rand van het luik. Hoe ik ook wrikte en welke techniek ik ook probeerde, het lukte mij niet om het ding los te krijgen. Het zat muurvast. Ik verloor mijn geduld en werd behoorlijk wild van frustratie. Maar ik gaf niet op, dat doe ik nooit. Dat is misschien mijn slechtste eigenschap. Tenslotte lukte het dan toch. Die had ik beet. Nu nog even een lampje aan, want in het donkere herfstlicht dat binnen komt door de zwarte luxaflex valt een metertje in een gat in de grond niet te lezen. Onwillekeurig dacht ik aan alle pechgevallen van de afgelopen dagen en de frustraties en kleine pesterijtjes van het leven. Natuurlijk dacht ik ook aan het moment van sterven, zoals dat zal gaan bij mij, in een moment van onoplettendheid, van vette pech. Een moment van onnozelheid van mijn kant. Of beter gezegd, een ‘fluv’ en dan is het gebeurd. Maar ik zou vandaag mijn nek niet breken door in dat open gat in de vloer te vallen.

Een lampje aangedaan, de meterstand gelezen en ingevuld op de kaart, zodat ik deze niet hoefde te onthouden om straks als ik op het internet het zaakje wil invullen, weer opnieuw in het gat te moeten duiken. Zo, dat had toch flink wat meer tijd gekost dan van tevoren nodig leek. Nu was het nog een kwestie van de plank op z’n plek te leggen en klaar.

Vreemd dat het niet lukte, dat die plank niet leek te passen. Hoe ik het ding ook draaide, het paste niet meer op z’n plek. Wat een waanzin! Om gek van te worden! Met duwen of stampen, met slaan of juist heel zacht, het lukte niet. De plank kwam niet meer op z’n plek. De hamer maar uit de schuur gehaald. Ik zou die plank wel eens even leren. Die plank zou er van lusten. Natuurlijk timmer ik niet met de hamer zo los op de rand van de plank. Dat zou zonde zijn, want dan zou ik de lak teveel beschadigen. Kon er beter een doek overheen leggen, dat vangt de klappen dan wat op. Daarom er maar mijn zachte vest overheen gelegd. Na een paar slagen was de metalen rand van de plank krom en zat er een scheur in mijn zachte vest door de klappen van de hamer. Ook had ik mijn vinger bezeerd en misschien dat het wel een blauwe nagel werd. Ik had niet op mijn vingers geslagen, maar toch door een misslag mijzelf pijn gedaan.

Ik denk dat mijn gezicht inmiddels een kleur had aangenomen die niet bestaat. Waarschijnlijk een kleur van grauwe gal. De gekte in mijn hoofd was wilde razernij. Maar toch had ik mijzelf onnoemelijk goed onder controle. In een laatste poging dan, met enkele gerichte stampen schokte het ding weer in de vloer. Ik veegde de houtsplinters en afgebladderde verf met mijn kousenvoet bijeen en bekeek de schade. Zo te zien viel het nog wel mee met die vloer. .

Ik was er welgeteld een kleine drie kwartier mee bezig geweest.

Wat heeft het mij nu helemaal gekost, dat opnemen van de watermeter?
Drie kwartier van mijn leven (tel daar bij op het jaar dat het kost vanwege frustratie), een blauwe nagel, een lepel, mijn favoriete vest, en mijn mooie houten vloer…

…en een film die zich afdraaide in mijn hoofd, waarop ik al die mensen zag die een soortgelijke vloer hebben, met een soortgelijke plank, waaronder een soortgelijke meter, maar die voldoende hebben aan het optillen van de plank aan het ringetje. En dat die plank dan ook daadwerkelijk omhoog komt. En dat die mensen dan zulke goede ogen hebben, dat ze geen lampje nodig hebben om de meterstand te kunnen lezen. En dat ze dan onthouden welke cijfertjes ze hebben gelezen. En dan surfen ze op het internet naar Vitens en ze vullen de cijfertjes in en dan doen ze de computer uit en dan roepen ze ‘zeg schat, ik ga weer naar kantoor hoor, en wat eten we vanavond?’

Posted in Geen categorie | Comments (0)

Pitten

november 5th, 2011
by Fantastoer

Pitten

Ik eet het liefst iets met pitten!
Dat zei ik laatst ook tegen de kassajuffrouw van de supermarkt.
Ik moest mijn zin herhalen
want ze verstond me niet.
Ze keek alleen maar alsof ze niet zeker wist
of ik iets gezegd had
of alleen maar kreunde;
ik praat niet zo hard…
nogal zacht eigenlijk…

Posted in Geen categorie | Comments (0)

Broeden

juni 13th, 2011
by Fantastoer

Ik ben nog even aan het broeden.
Ben jij ook wel eens aan het broeden, heb je al een ruime ervaring met broeden en wil je je ervaringen delen, mail me dan! Maar misschien ben je nog maar een beginner en moet je het broeden nog leren, of misschien heb je helemaal niks met broeden, ook dan mag je mij mailen!

Posted in Geen categorie | Comments (0)